Column | Koester je onverschilligheid

Wanneer je mensen vertelt dat je van gedichten houdt, vragen velen of er misschien ook nog iets ánders is waar je van houdt. Ooit antwoordde ik daarop dat ik graag aubergines fotografeer, waar zo enthousiast op werd gereageerd dat ik sindsdien aubergines fotografeer, maar voor dit stukje is het even van belang dat de poëzie in ons eigen land de meesten gewoon koud laat. Dat is verder helemaal oké, maar wanneer je als liefhebber opeens ontdekt dat het er elders anders aan toegaat, biggelen er toch wel wat vreugdetranen. Toen ik in 2009 voor het eerst Lviv bezocht, was ik dolgelukkig dat er op elke straathoek wel een standbeeld voor een dichter stond.

„Wat geweldig”, juichte ik tegen O., de plaatselijke historicus die me een uitgebreide rondleiding door de stad gaf.

„Mja”, zei hij, „Zoiets is eigenlijk geen goed teken.”

„Hoezo?”

„Omdat bij totalitaire regimes de poëzie altijd is gepolitiseerd. Ze wordt óf gebruikt om de glorie van de staat te bezingen, óf de dichters worden uit de weg geruimd omdat men geen zin heeft in teksten die weleens verkapte kritiek kunnen bevatten. De huldeblijken die je hier ziet zijn allemaal voor poëten die eens door de sovjets of tsaren tot staatsvijand werden verklaard, wat zelden goed was voor hun gezondheid.”

Daar moest ik aan denken toen afgelopen week het bericht naar buiten kwam dat de Moskouse dichter Artyom Kamardin is veroordeeld tot zeven jaar gevangenschap, omdat hij in 2022 een gedicht had voorgelezen waarin hij (volgens de aanklager dan) de pro-Russische inwoners van de Donbas zouden hebben beledigd. Enkele dagen na de voordracht werd hij door zeventien man van zijn bed gelicht, in elkaar geslagen, verkracht en ten slotte in hechtenis genomen. Ondanks al die intimidatie had hij nog de moed om afgelopen donderdag, vlak voor de uitspraak, een vers voor te dragen, met daarin de stelling dat poëzie nou eenmaal niet wordt gewaardeerd door „hen die van orde houden”.

Ik appte het bericht door aan O.

„Arme man” gruwelde hij, „Dichters zijn de kanaries in de kolenmijn van de democratie. Zodra de zittende macht de pijlen op hen richt, is het klaar. Ik zou maar blij zijn dat de meesten in jouw land poëzie duf vinden.”

„Nou ja, dúf, dúf, men staat er vooral onverschillig tegenover”, mompelde ik.

„Dat is een grotere verworvenheid dan je zou denken”, zei O. verdrietig, „Dit is nou precies het soort onverschilligheid dat je moet koesteren.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.