Janine Jansen en het wonder van Bachs Goldbergvariaties: in een hypnotische roes naar een hogere dimensie

En zo voltrok zich een wonder. Die ene zin is genoeg, maar wie de verbeelding vrij laat, zou ook een boek kunnen schrijven over Bachs Goldbergvariaties, die violist Janine Jansen, altviolist Timothy Ridout en cellist Daniel Blendulf dinsdag speelden in het Amsterdamse Concertgebouw. In een eigen bewerking voor strijktrio dijde het klavecimbelstuk uit tot een louterend levensverhaal van anderhalf uur. Hieraan kon iedereen onder de tweeduizend bezoeker in de stampvolle zaal zijn eigen geschiedenis verbinden.

Maandag begon Janine Jansen aan haar Bach-driedaagse in Amsterdam, in de Kleine Zaal, met een meditatieve Eerste Sonate voor viool solo. De rest van de avond heerste er vooral onvervalst spelplezier, indachtig de woorden van Bach dat de muziek er is ter ere van God, maar ook ter verfrissing van de ziel. In hun bewerkingen legden de musici de nadruk op aardse geneugten. De onderlinge ‘duetten’ tussen violist Jansen en altist Ridout ademden soms zelfs iets van sensualiteit. De heldere klavecimbelklank van vader Jan Jansen liet Bach swingen in de Vijfde Triosonate.

Hoe anders was de atmosfeer een dag later bij de Goldbergvariaties, waar de drie strijkers een muzikaal heelal indoken dat geen grenzen leek te kennen, een reis waarvan je stil hoopte dat de bestemming zoals een horizon voor je uit zou blijven schuiven. Tussen de twee aria’s – geboorte en dood – lijkt in de dertig variaties een leven aan je voorbij te trekken. De drie instrumenten gaven de musici de kans om – in tegenstelling tot klavecimbel of piano – duidelijk van elkaar te onderscheiden personages ten tonele te voeren. En die gelegenheid lieten arrangeurs Ridout, Blendulf en Jan Jansen niet aan zich voorbij gaan.

Dit concert van de ‘Goldbergvariaties’ was een ervaring die niet in ballen of sterren uit is te drukken

In de zevende variatie voerden viool en cello een vertederend gesprek met groeiende en weer verstillende hartstochten. En waar een klavecimbel als tokkelaar uitsluitend spreekt, hebben strijkers ook de lange ademlijnen van het zingen tot hun beschikking. Vooral in trage passages ontstond hierdoor een hypnotische roes: de vijftiende variatie voelde als stilzetten en teruggaan in de tijd. In de twintigste daarentegen wierpen de strijkers zich in een scherp debat waarin het onbegrip nooit ver weg leek.

De keuze van de musici voor een uitgesponnen versie van de Goldbergvariaties stelde de luisteraars in staat om zich in elke variatie uitgebreid te baden, waar bijvoorbeeld pianist Glenn Gould je net de tijd geeft met de grote teen de watertemperatuur te voelen.

Het transcendentie van de muziek bereikte zijn zenit in de stilte die opsteeg uit de zingende vijfentwintigste variatie, zo’n muzikaal wonder waar – zoals in het slotlied ‘Abschied’ uit Mahlers Das Lied von der Erde – het sterven als een vriend wordt omarmd. Het zijn noten die behoren tot een andere dimensie dan de onze. En zo maakten Jansen, Ridout en Blendulf van de Goldbergvariaties een meesterwerk in het kwadraat, waarvan de ervaring goed beschouwd niet in ballen of sterren uit te drukken is.

https://www.youtube.com/watch?v=_0FEXtupkp0