Was Willy Dullens beter dan Johan Cruijff? Door een kapotte knie is dit altijd een vraag gebleven

Johan Cruijff beweerde ooit „dat er misschien toch één voetballer beter zou gaan worden” dan de dit weekend op 79-jarige leeftijd, ruim acht jaar na Cruijff, overleden Willy Dullens. De kleine Limburgse pingelaar debuteerde als vijftienjarige in het eerste van Almania en kreeg drie seizoenen later een contract bij Sittardia.

Het fanatieke ventje kwam in beeld bij grote clubs. Sparta polste de Limburgse tiener, Ajax, PSV, Feyenoord, Standard Luik en Anderlecht deden aanbiedingen. „Met name Anderlecht was geïnteresseerd, die Belgen boden een half miljoen. Dat zou een record zijn geweest: de duurste man tot dan toe was Henk Groot, die voor 3,5 ton van Ajax naar Feyenoord ging.”

Dullens bleef in Sittard, hij vond dat hij „onder aan het laddertje moest beginnen”, vertelde hij in 1995 in een interview met NRC. Eenmaal in de twintig wilde hij pas hogerop. „Het echte grote betaald voetbal was een droom van me. Die komt later vanzelf uit, dacht ik. Daar zou ik zelf wel voor zorgen. Ik was een technische voetballer, maar ik heb het werken nooit geschuwd. Koppen, trappen, slidings, aan alles heb ik aandacht besteed. Ik was rechtsbenig, maar kon met links ook goed uit de voeten.”

Noodlot in Arnhem

In augustus 1966, enige maanden nadat hij tot voetballer van het jaar was gekozen, sloeg het noodlot toe. Sittardia ging voor een vriendschappelijk duel naar Vitesse. Dullens wilde eigenlijk niet mee. Hij was boos op het bestuur dat zijn transfer naar Feyenoord door een „krankzinnig hoge vraagprijs” blokkeerde. Bovendien had hij de organisatie van het NK windhondenrennen in Geleen beloofd die dag de bekers uit te reiken. Maar hij moest mee naar Arnhem, waar hij zwaar geblesseerd raakte.

Hoe dat gebeurde, herinnerde hij zich bijna dertig jaar later nog goed. „Ene Bart van Ingen, of misschien was het een ander, hield me vast toen ik was doorgebroken en op [doelman Frans] De Munck afging. Ik lag met mijn voet op een tegenstander toen die Van Ingen op mijn knie viel. Nee, niet opzettelijk, het was een ongeluk. Maar voor mij stortte de hele wereld in. Potverdorie, het is gebeurd met je Dullens, ging het door me heen.”

Bondscoach Georg Kessler (tweede van rechts) met drie nieuwelingen: Willy van der Kuijlen, Willy Dullens en Johan Cruijff (van links naar rechts).
Foto Dick Coersen Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/ANP

Tussen augustus en december, vervolgde Dullens in het interview, „heb ik die knie volledig stuk gemaakt. ‘We kunnen je niet missen, Willy’, riepen ze in Sittard. Ik bleef dus trainen en spelen, zelfs twee interlands. Achteraf het domste wat ik heb gedaan. Na iedere wedstrijd was die knie dik – en ik kapot. Telkens had ik drie dagen nodig om te herstellen. Onze coach [Vladimir] Beara behandelde me slecht. ‘Trainer’, zei ik, ‘het gaat bijna niet. Het is net of ze een mes achter in mijn knie steken’. Hij zei dan iets van: ‘Ich habe früher gespielt mit einem gebrochenen Bein. Und davon habe ich nichts gesagt.’ Hij kleineerde me, terwijl heel Sittard wist dat er echt iets ernstigs aan de hand was.”

Geen knieschijf meer

In december 1966 volgde een operatie aan zijn kruisbanden. Het kwam niet meer goed, hoewel Dullens nog twee jaar speelde. Hij ging staan tegenover de NRC-verslaggever, stroopte zijn rechter broekspijp op en toonde zijn knie, die door tal van medische ingrepen was getekend. De knieschijf ontbrak. „Na de eerste operatie bleek al snel dat mijn hele toekomst weg was. Ik woog normaal 55, 56 kilo. Toen heel vlug nog maar 46, wegens de pijn en vooral door het verdriet. Bijna dag en nacht heb ik liggen huilen.”

Veel later, in 1988 kreeg hij weer een terugval. „Ging ik weer over de rooie. Was ik tien maanden overspannen. Hele nachten voerde ik gesprekken met [Rinus] Michels, Cruijff, [Piet] Keizer. Ik kon niet slapen, potverdorie. Er kwamen klanten voor een afspraak in de kapsalon. Ze zeiden: ‘Wat zie je er uit, Willy!’ Dat had ik zelf niet in de gaten. Het kwam omdat ik toen weer vrij veel bij Fortuna [Sittard] kwam. Op zekere ochtend begon ik om half negen te werken, drie kwartier later ging het licht uit. ‘Iets dergelijks gebeurde méér met mensen die vroeger iets moois niet hadden kunnen waar maken’, zei de psycholoog.”

Een „fantastische vrouw” en „twee schitterende dochters” hielpen hem er weer bovenop. In 1966, aan het begin van alle leed, kreeg hij grote steun van de Ajacieden, die een benefiet voor hem organiseerden. „Michels regelde dat, met Cruijff, Keizer, [Sjaak] Swart, [Bennie] Muller en al die anderen. Ik zal het nooit vergeten, een vol Olympisch Stadion tegen Alemannia Aachen. Het werd 2-0, de opbrengst was anderhalve ton. Ik kon een kapperszaak beginnen!”