Verrassende klappen voor de autoritaire leiders van Midden-Europa

Waar veel West-Europese landen de afslag naar radicaal-rechts nemen, verliezen deze partijen juist momentum in Midden-Europa. In dit deel van Europa zwaaien de radicaal-rechtse partijen al jaren de scepter, maar kregen ze bij de Europese verkiezingen dit weekend een electorale tik.

Het afgelopen decennium trokken radicaal-rechtse partijen in Polen (PiS), Hongarije (Fidesz), Slowakije (Smer) en Tsjechië (ANO) vaak gezamenlijk op tegen de liberale krachten uit de rest van de Europese Unie. Hoewel ze niet altijd gelijktijdig aan de macht waren en ook van standpunt verschilden, wisten ze wel een blok te vormen tegen onder meer migratiedeals en Europese begrotingen. Recent vonden het Slowaakse Smer en het Hongaarse Fidesz elkaar in het blokkeren van steun aan Oekraïne.

In meer of mindere mate omarmde radicaal-rechts in deze landen vormen van het ‘illiberalisme’, een populistische reactie op het multiculturele en vooral individualistische en kosmopolitische westen. De aanjager van de ‘illiberale democratie’, de Hongaarse premier Viktor Orbán, stelde een homogene cultuurgemeenschap van de witte christelijke meerderheid centraal en bestempelde minderheden en migranten als gevaar voor die nationale eenheid.

Het werkte. Fidesz van Orbán is al sinds 2010 onafgebroken aan de macht in Hongarije, het populistische Smer van Robert Fico regeert – met twee korte onderbrekingen – sinds 2006, PiS regeerde tot vorig jaar acht jaar in Polen en ANO leidde tussen 2017 en 2021 twee kabinetten in Tsjechië.

Hun campagneboodschappen waren in al die jaren min of meer gelijk: een aanval op migranten, lhbti’ers, of andere minderheden die een bedreiging zouden zijn voor hun land. Hun greep naar de macht was na gewonnen verkiezingen vervolgens ook vergelijkbaar: eerst de onafhankelijke media beteugelen, daarna de invloed van (buitenlandse) ngo’s verminderen, om tot slot de rechtspraak te politiseren.

Klap voor Orbán

De uitslag van afgelopen weekend is vooral een klap voor Viktor Orbán. Zijn Fidesz partij stond in de peilingen op ruim 50 procent van de stemmen. Hij bleef wel de grootste, maar haalde slechts 44,6 procent van de stemmen. Uit het niets kreeg zijn uitdager Péter Magyar, ex-man van de voormalige minister van Justitie Judit Varga, met zijn conservatief-populistische Tisza-partij bijna 30 procent van de stemmen. Dat is een opvallend hoog percentage voor deze nieuwe partij, omdat onafhankelijke waarnemers verkiezingen in Hongarije al jaren bestempelen als „free but not fair”, aangezien het kiesstelsel is ontworpen om Fidesz te bevoordelen en die partij ook een groot deel van het media- en reclamelandschap controleert.

Fidesz’ verlies moet als een dreun voelen voor Orbán, omdat hij van deze vier Midden-Europese landen juist het meest naar Europa kijkt. Al jaren hoopt hij dat zijn ‘illiberale democratie’ breder aanslaat in de Europese Unie – wat ook lijkt te gebeuren met de winst van veel radicaal-rechtse partijen – maar zijn positie in eigen land krijgt voor het eerst een knauw. En het is maar de vraag of hij de radicaal-rechtse partijen kan verbinden om zo de machtsbalans in de EU te verschuiven.

Slowakije, Polen en Tsjechië

Ook de uitslag in Slowakije is verrassend. Niet Fico’s Smer-partij won, maar de liberale oppositiepartij Progressief Slowakije, met bijna 28 procent van de stemmen tegen bijna 25 procent voor Smer. Dat is extra opvallend aangezien Fico onlangs werd neergeschoten op straat en hij in de week voor de Europese verkiezingen in een uitgekiend filmpje – zoals van tevoren werd gevreesd – de oppositie de schuld gaf van de moordaanslag. Terwijl daar geen enkel bewijs voor is. Toch wist zijn partij daarmee niet deze verkiezingen te winnen.

Ook in Polen werd niet radicaal-rechts de grootste, maar wist Donald Tusks centrum-rechtse regeringspartij KO voor het eerst in tien jaar boven de nationalistisch-conservatieve PiS-partij te eindigen. Een overwinning waar Tusk lang op wachtte – de afgelopen acht verkiezingen in Polen (parlementair, presidentieel, lokaal en Europees) was PiS telkens de grootste. Al is die winst maar nipt: in de exitpoll leek KO nog ruim vier procentpunten boven PiS te eindigen, in de definitieve uitslag is dat gezakt naar net geen één procentpunt.

De Poolse premier Donald Tusk viert zijn overwinning op zondagavond in Warschau.
Foto Kacper Pempel/Reuters

PiS zit sinds de verloren parlementsverkiezingen in oktober in een neerwaartse spiraal. De partij verzandt in interne strubbelingen en kwam in de publiciteit met corruptieschandalen tijdens hun regeerperiodes. Met een campagne tegen de Europese Green Deal – die de partij zelf had ondertekend toen ze aan de macht was – bleek ze niet opgewassen tegen de campagnetaal van KO. Tusk bracht PiS in verband met het Kremlin en voerde een harde anti-migratiecampagne, terwijl hij tijdens de verkiezingen vorig jaar nog opriep tot een meer humanitair migratiebeleid.

De enige tegenhanger van de verliezende illiberale partijen in Midden-Europa is ANO van Andrej Babis in Tsjechië. Zijn partij won de verkiezingen met ruim een kwart van de stemmen. Het laat zien dat deze partijen een sterke basis hebben – zo kan PiS altijd rekenen op ongeveer een derde van het electoraat. En dat deze partijen ook weer kunnen opstaan uit de spreekwoordelijke dood – zoals vorig jaar gebeurde met het Slowaakse Smer dat geen kans op regeren meer werd toegedicht na de moord op onderzoekjournalist Jan Kuciak die onderzoek deed naar corruptie onder Fico.

Veel kiezers bleven thuis

Maar op wie stemde de achterban van deze illiberale partijen dan? Uit de eerste analyses bleek dat een groot deel van de kiezers thuisbleef. In dit gedeelte van Europa is de opkomst voor de Europese verkiezingen traditioneel laag. In Slowakije, Tsjechië en Polen kwam niet meer dan 40 procent van de kiesgerechtigden naar de stembus, Hongarije kende juist een recordopkomst van 58 procent – 15 procent meer dan tijdens de vorige Europese verkiezingen, wat een verklaring kan zijn voor de onverwacht hoge score van de nieuwe partij Tisza. De illiberalen moeten het vaak hebben van de opkomst op het platteland, die tijdens de Europese verkiezingen altijd lager is, en niet van de stedelijke kiezers, die zich vaak meer verbonden voelen met de EU.

Aan de andere kant is te zien dat een deel van de illiberale kiezers is overgestapt naar radicalere partijen. In Polen werd Konfederacja – een openlijk antisemitische, anti-EU en anti-migratie partij – de derde partij achter KO en PiS. In Slowakije eindigde Republika als derde, een partij die voortkomt uit een neonazistische beweging. Het levert twee zetels in Brussel op. En ook in Hongarije en Tsjechië kregen extreem-rechtse en neofascistische partijen zetels voor het Europarlement.

De illiberale vloed is in Midden-Europa in sterkte afgenomen. Het alternatief is een gematigder meer pro-Europese politiek. Maar van een nieuwe linkse of groene wind is in Midden-Europa helemaal geen sprake: in geen van de vier landen wonnen deze partijen ten opzichte van vijf jaar geleden.

Lees ook profiel Péter Magyar: Breekt hij de greep van Orbán op Hongarije?

Péter Magyar in maart dit jaar bij een antiregeringsprotest in Boedapest.