Mijn oma, de eerste vrouw met een rijbewijs

Reportage

Primeur Een vergeeld document uit een koektrommeltje vol herinneringen opent voor een venster naar een oma die nooit over zichzelf sprak, maar na bijna honderd jaar alsnog een plekje in de vaderlandse geschiedenis verdient.



Foto Privébezit

Het was kalm winters weer. De rijp op de lager gelegen akkers begon al weg te smelten in de ochtendzon. De bomen aan weerszijden van de Dijkweg in Heerhugowaard wierpen lange schaduwen, die reikten tot aan de stolpboerderijen links. Met één stap hees Bregitta de Groot zich in de melkwagen die daar stond, en plofte neer achter het stuur. Om het gaspedaal van de Ford goed te kunnen bedienen, moest ze haar rok een beetje opstropen. Nu was het zaak om kalm en vastberaden te zijn. Starten, ontkoppelen, de bakelieten pook in de eerste versnelling en dan zachtjes gas geven en de koppeling laten opkomen. Kalm en vastberaden, want naast de melkwagen stond de gemeenteambtenaar met zijn handen in zijn zakken toe te kijken hoe deze jonge vrouw het grote beest tot leven wekte en zacht liet grommen.

Zo ongeveer stel ik het mij inmiddels voor – de examenrit van mijn oma op 27 januari 1925. In een oud koektrommeltje van mijn vader vond ik onlangs het document dat Bregitta, toen achttien jaar, in haar handen kreeg gedrukt. Ze reed succesvol de dijk in Heerhugowaard op en neer en was toen geslaagd. ‘Rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen in het algemeen’, staat op het vergeelde papier. In de hoeken nog de afdrukken van punaises waarmee het document in de cabine van het vrachtwagentje was vastgeprikt. Maar wacht eens even? Oma? Een vrachtwagenrijbewijs? In 1925? Daar hadden we haar nooit over horen spreken.

Toffe powervrouw!

Zodra ik een foto van het rijbewijs op social media publiceer, komt een stortvloed aan reacties los, ook van totaal onbekenden. ‘Wat een stoere chick!’ reageert ene Roos. ‘Toffe powervrouw’ laat ene Tarik weten. ‘Dit soort trots mag generaties overstijgen’, filosofeert ene Hans. Dit raakt blijkbaar een snaar. Maar ook de directeur van het CBR, Jan Jurgen Huizing meldt zich. Je oma is een trendsetter, stelt hij vast. ‘Mogen we een kopie hebben voor ons historisch archief?’ Het Huygens Instituut komt in de lucht met het bericht dat zij tot nu toe de eer hadden toebedeeld aan de Haagse Jacoba Jansen als allereerste rijvaardige vrouw. ‘Maar zij haalde haar motorrijbewijs twee jaar later!’ Zo kom ik er bijna honderd jaar na haar examen achter dat niemand minder dan mijn eigen oma de eerste Nederlandse vrouw met een rijbewijs was. Mijn gevoel van trots begint nu toch licht euforische trekjes te krijgen.

Het maakt nieuwsgierig. Wat voor vrouw was mijn oma eigenlijk? Ik kende haar vooral als dat vriendelijke mensje met blauw-paars gepermanent haar en veel te grote bril die altijd stoofpeertjes en draadjesvlees maakte als ik er ging logeren want dat vond ik zo lekker, wist ze. Maar oma was altijd tot in de puntjes verzorgd. „Ik hou van mooi”, liet ze zich weleens ontvallen. Maar ze was geen vrouw die graag over zichzelf praatte. En ik was geen kleinzoon die haar vragen stelde, moet ik bekennen. Ik wist niet veel meer dan dat haar eerste man op 10 mei 1940 bij de Moerdijkbrug was gesneuveld. Dat oma als weduwe met zes kinderen, van wie twee ziekelijk, de oorlog moest zien door te komen. En na de oorlog hertrouwde met opa Donker, een gelijkmatige als even bescheiden en vriendelijke bloemist die nooit zonder hoed de straat op ging. O ja, haar lijfspreuk was ‘kracht naar kruis’. Dat deed vermoeden dat zij in haar leven een zware last had moeten dragen. Maar daar sprak ze met geen woord over.

Ik ga te rade bij mijn 95-jarige vader, de enige in de familie die nog scherpe herinneringen aan oma kan opdiepen en raadpleeg diverse archieven, geholpen door onder anderen Roel Rijks, de oprichter van het Comité Ereschuld Onderscheidingen. Zo komt mijn oma, die in 1999 stierf, opnieuw een beetje tot leven. En naarmate er meer bekend wordt over oma, groeit mijn waardering en verbazing.

Onderduikers

„Wist je dat oma in de oorlog onderduikers in huis heeft gehad?”, steekt mijn vader van wal. Hij weet nog precies wie. „Dat waren Herman Wagenaar en André van Elburg. Die werden door de moffen gezocht na een mislukte inbraak in het stadhuis van Alkmaar.” Ik val van mijn stoel. Oma? Een weduwe met vier dochters en twee zoons die onderdak biedt aan gezochte verzetsmensen?

Herman en André sliepen in 1944 enkele dagen op zolder in de meidenkamer op de grond, tot de kust veilig genoeg was om Alkmaar te kunnen verlaten. Het verhaal wil dat de kerk oma had benaderd, wetend dat zij een grafhekel aan Duitsers had. Op een dag had ze twee SS’ers die een huiszoeking wilden komen doen weggestuurd met de woorden: „Mijn man is gevallen! Is dat niet erg genoeg? Laat me met rust!” De militairen waren blijkbaar zo onder de indruk van deze jonge woedende weduwe dat ze de drempel van haar bescheiden woninkje aan de Omval in Alkmaar niet over durfden te stappen.

Wagenaar en Van Elburg waren geen kleine jongens. Wagenaar leidde een verzetsgroep van zes jonge mannen. Bij de inbraak in het stadhuis op 24 februari 1944 werd een van hen, Jan Hoberg, gearresteerd, gemarteld en twee maanden later gefusilleerd. Hij hield zijn kaken stijf op elkaar. Maar als hij was doorgeslagen? Ik moet er niet aan denken. En zou oma zich van dat risico bewust zijn geweest? Op het huisvesten van het verzet stond de doodstraf, weet Roel Rijks me te vertellen. „Je oma was enorm moedig.”

In 1948 werd opnieuw aan haar deur geklopt. Een keurige mijnheer kwam haar een verzetskruis brengen. Maar dat was niet voor haarzelf, het ereteken was voor haar man, die als dienstplichtig soldaat sneuvelde bij een artilleriebeschieting. Zou zij toen gedacht hebben: zou ik er ook aanspraak op kunnen maken?

Ter ere Gods

Misschien had ze genoeg andere zorgen aan haar hoofd. Ze kwam in de oorlogsjaren rond van het geld dat ze kreeg voor het schoonmaken van kantoren en anonieme giften van weldoeners. ‘Ter ere Gods’ stond op de enveloppen geschreven die zij in haar brievenbus vond. Later in de oorlog zaten er soms distributiebonnen in – voor vet, versnaperingen of meel. Ik vind er in het koektrommeltje nog een paar die oma heeft weten uit te sparen. En elke zondag kwamen twee heren van Sint Vincentius langs met kleingeld uit de collecte. Dat werd op de keukentafel uitgestald in rechte rijen centjes, stuivers en dubbeltjes. Waarna de koektrommel werd geplunderd. „Dat uittellen van collectegeld vond oma enorm vernederend”, weet mijn vader nog. Bregitta slikte haar trots weg, want ruzie maken met de kerk kon zij zich niet permitteren.

Foto Privébezit

Terug naar de melkwagen. Die was eigendom van Jan de Groot, de vader van haar man Jaap. Op de foto die ik van mijn vader krijg, staat hij – op klompen – trots naast het vrachtwagentje, zijn zoon Jaap achter het stuur. De bussen melk achterin hoog opgetast en daartussen een herenrijwiel. Allemaal mannen op deze foto, oma is nergens te bekennen. Ik vind wel een foto in het familiealbum van mijn oma als jong meisje. Ze lijkt een zusje van Shirley Temple, met die pijpenkrullen en dromerige blik. Op een foto van haar verloving is de ernst ingetreden: zedig en serieus zit ze rechtop, met een boek op schoot, haar verloofde torent boven haar uit. Zo waren de verhoudingen toen, hoe stoer je als jonge vrouw ook was. Bij hun huwelijk werd in 1926 gezongen: ‘Leef in liefdes reine min. Zoals de jager met zijn herderin.’ Wie de jager was en wie de herderin, dat liet zich raden.

Mijn vader weet nog hoe dat destijds is gelopen. „Oma verloofde zich met Jaap, die voorbestemd was om het melktransportbedrijf van zijn vader uit Schermerhorn over te nemen. Maar hij had examenvrees en was nog te jong om af te rijden. Bregitta heeft toen gezegd: ‘ik doe het wel voor je’. Zodra ze achttien was, kroop ze achter het stuur. Ik vermoed dat ze vooraf rijles heeft gekregen van haar aanstaande schoonvader.” De melkwagen zorgde voor een constante bron van inkomsten. Al snel kwamen de kinderen en richtte Bregitta zich op haar herderinnenrol. Haar rijbewijs heeft ze volgens de overlevering al vrij snel aan haar echtgenoot overgedragen.

Spotlight

Mijn onverschrokken oma had nog een kwaliteit die nu uit de mist van het verleden tevoorschijn komt. Na haar huwelijk, herinnert mijn vader zich, trad zij met haar man regelmatig op bij bruiloften en partijen. Ook daar was enige moed voor nodig: in de spotlight staan en een lied of toneelstukje opdragen in ruil voor wat te drinken, een gebakje en een fooi. Jaap begeleidde haar op de citer en kon zelf niet onaardig zingen. Oma kreeg er steeds meer schik in. Dan weer verscheen ze als een nonnetje, dan weer als zwerver of notabele. Mijn vader diept een schriftje op waarin oma, in sierlijke krulletters, haar repertoire van destijds heeft vereeuwigd.

Ik zie haar in mijn verbeelding opkomen uit de coulissen bij een bruiloft. Verkleed als man, een arme sloeber in dit versje. Ruim twintig jaar nadat ik oma voor het laatst zag, klinkt haar stem weer in mijn hoofd, maar nu wel met een andere lading. Het is de stem van die moedige meid met haar rijbewijs, die dappere tante die haar huis openstelde voor opgejaagde verzetsmensen. De stem van een vrouw met een zwaar kruis, dat ze kon afleggen als ze in de huid van een ander kroop. Oma Bregitta, aan wie ik nooit iets vroeg en die nooit zichzelf centraal stelde. Wat heb ik haar én mezelf tekortgedaan.

Ik lees: ‘Nu zullen jullie wel denken. Wat moet jij hier doen? Zo’n ouwe man, zo’n misfatsoen. Och menschen, ik ben van de ouwe tijd. En hou van de lol en de aardigheid. Lange tijd op aarde geweest. Ik heb beleefd ook zware zaken, doch altijd onbevreesd.’

Lees verder…….