Land van Winkel en de mislukte revolutie van het Wilde Wonen

‘Land van Winkel: vrije kavels, vrij denken, vrij wonen.’ Onder deze kop kondigde Janssen de Jong Projectontwikkeling in 2016 de verkoop aan van dertig kavels in het nieuw te bouwen woonwijkje aan de rand van het Utrechtse dorp Abcoude. ‘Wonen krijgt een nieuwe dimensie’, beloofde de site van Land van Winkel ‘In Land van Winkel kunt u uw droomhuis realiseren.’ Inmiddels zijn er behalve villa’s op de vrije kavels 170 koopwoningen en sociale huurwoningen gebouwd.

Vrije kavels, vrij denken en vrij wonen – dit doet denken aan het Wilde Wonen dat architect en toenmalig voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA) Carel Weeber op 4 april 1997 lanceerde in een interview met NRC Handelsblad. Hierin opende Weeber de aanval op het ‘saaie’ Nederlandse rijtjeshuis en bepleitte hij het einde van wat hij ‘staatsarchitectuur‘ noemde. Sinds de Woningwet uit 1901 had de overheid bijna de hele twintigste eeuw een sturende rol gespeeld in de woningbouw via subsidies aan woningbouwverenigingen, legde hij uit. Met als gevolg dat na de Tweede Wereldoorlog het rijtjeshuis het meest gebouwde woningtype was geworden.

Maar de meeste Nederlanders wonen liever in een vrijstaand huis dan in een rijtjeshuis, wist Weeber uit onderzoeken naar woonwensen. Toch werden de vinexwijken weer vooral volgebouwd met rijtjeshuizen. Dit vond hij ongerijmd in het tijdperk van globalisering, liberalisering en terugtredende overheid: waarom geeft de overheid alle Nederlanders die dat willen niet gewoon de ruimte om zelf hun huis te bouwen?

Foto Bram Petraeus

Weebers plan voor het Wilde Wonen was eenvoudig. De overheid geeft 25 rechthoekige kavels per hectare uit, zo had hij bedacht, en elke kavel die aan één kant grenst aan een rechte straat mag voor maximaal 40 procent worden bebouwd. „Verder zijn de kopers van kavels vrij om te bouwen wat ze willen”, legde hij uit „In mijn ideaal gaan ze naar een bouwwarenhuis, een soort Gamma, dat door de overheid goedgekeurde huisonderdelen in verschillende variëteiten verkoopt.” Zo zou het Wilde Wonen ook leiden tot minder monotone buitenwijken buitenwijken, voorspelde Weeber.

Maar hoewel het neoliberale tijdperk in de jaren negentig ook in Nederland was aangebroken en de woningbouwverenigingen in 1995 waren verzelfstandigd, zou het Wilde Wonen op veel weerstand stuiten, verwachtte Weeber. „Er is een radicale mentale salto mortale nodig. Mijn plan gaat in tegen alle belangen. De geliberaliseerde woningbouw is niet in het belang van de architect die gebouwen wil ontwerpen. Ook projectontwikkelaars en woningbouwverenigingen zien er weinig in: zij willen rijtjeshuizen blijven aanbieden. En het is ook niet in het belang van bestuurders, want de rol van de staat wordt minder belangrijk.”

Revolutie

Het Wilde Wonen baarde veel opzien. Een dag na de publicatie van het interview meldde De Telegraaf op de voorpagina dat de voorzitter van de architectenbond opriep tot een revolutie in de woningbouw. Drie jaar later had het paarse kabinet-Kok II ‘de mentale salto mortale’ al gemaakt, toen VVD-staatssecretaris van Volkshuisvesting Johan Remkes in 2000 zijn nota Mensen, wensen, wonen uitbracht. Hierin decreteerde Remkes dat voortaan 30 procent van de nieuwbouwwoningen in de vinexwijken moest bestaan uit eigenbouw op vrije kavels.

Foto Bram Petraeus

Maar hoewel veel vinexwijken een buurtje kregen waar eigenbouwers soms zelfs zonder esthetisch toezicht van welstand hun gang konden gaan, liep het Wilde Wonen uit op een mislukking, zowel kwantitatief als kwalitatief. De grotere variatie in woningen die Weeber had verwacht bleef uit. De eigenbouwers in de vinexwijken bleken een sterke voorkeur te hebben voor ‘notariswoningen’, ‘boerderettes’ en andere gestandaardiseerde catalogushuizen met bakstenen gevels en puntdaken. En hoewel het Wilde Wonen ‘staatsarchitectuur’ was geworden, daalde het aandeel van eigenbouwwoningen in de woningbouw van 17 procent in 1998 tot 10 procent in 2011. Sindsdien is het niet meer gestegen.

De mislukking is eenvoudig te verklaren. Remkes en Weeber zagen over het hoofd dat vrijwel alle bouwgrond op de ongeveer honderd vinexlocaties in handen was gekomen van projectontwikkelaars en grote bouwbedrijven. En die maakten meer winst door hun dure grond, die ze overigens als goedkope landbouwgrond hadden gekocht, vol te zetten met rijtjeshuizen dan door die als vrije kavels te verkopen. Wild Wonen stierf in het begin van de 21ste eeuw dan ook een stille dood.

Gereguleerde dromen

Ook Land van Winkel heeft er geen nieuw leven ingeblazen. Ondanks de belofte van ‘vrij denken en vrij wonen’ was de vrijheid van de dertig kopers van de vrije kavels beperkt. Niet alleen waren ze verplicht om hun droomhuis te laten ontwerpen door een architect, maar ook moest dit voldoen aan een beeldkwaliteitsplan, zodat het niet te veel uit de toon viel met de rest van de wijk.

Foto Bram Petraeus

Wie nu rondloopt in het wijkje met woonerven en sloten ziet dan ook geen enkele buitenissig huis dat het resultaat is van een heerlijk wilde droom. Het merendeel van de woningen is gebouwd in de zogenaamde ‘moderne-retrostijl’ en heeft strakke bakstenen gevels en puntdaken van pannen, riet of zink. Sommige zijn, met een postmoderne knipoog naar 17de-eeuwse grachtenhuizen, voorzien van een klokgevel of van een curieuze, grote erker met een etalageraam. Eén droomhuis heeft een beetje scheve, ‘deconstructivistische’ gevels gekregen en ook staat er een zwarte villa die geheel is bekleed met houten planken. Verreweg het opvallendste huis is een simpele, knalrode twee-onder-eenkapper die met zijn mansardedak lijkt op een oude Amerikaanse boerenschuur. Wilder wordt het niet in Land van Winkel: het ‘vrije wonen’ blijkt er niets anders dan strikt gereguleerde eigenbouw die al bestond.

Lees verder…….