In Scandinavië komt de wind niet van rechts, maar juist van links

In Denemarken, Zweden en Finland komt de wind helemaal niet van rechts, maar van links. De Deense sociaal-democraten hebben het afgelegd tegen de linksere socialisten, de Finse socialisten hebben met partijleider Li Andersson de populairste kandidaat van het land, en in Zweden werd de sociaal-democratische oppositiepartij de grootste.

„Denemarken stuurt een sterk signaal naar Europa”, kopt de Deense krant Politiken. „De rechtse verschuiving in Europa heeft Denemarken niet getroffen”, aldus de krant. De Socialistische Volkspartij is met 17,4 procent van de stemmen de grootste partij deze verkiezingen. „De sociaal-democraten verliezen hier niet aan rechts, maar aan links.” Ze behouden hun drie Europese zetels, maar doen dat met minder stemmen.

De Deense uitslag is ook een signaal voor de nationale politiek, zegt hoogleraar politieke communicatie Claes de Vreese (UvA). „Na de vorige parlementsverkiezingen was er een regering mogelijk op centrum-links, maar de sociaal-democraten kozen ervoor om over rechts te gaan.”

De Deense coalitie bestaat nu uit de sociaal-democraten en twee liberale partijen, Venstre en Moderaterne. Zij hadden samen de helft van de Deense zetels in het Europees Parlement, nu komen ze uit op zes van de vijftien.

Kiezers hadden de voorkeur voor een coalitie over links, zegt De Vreese. „Door nu groen en links te stemmen, geven kiezers aan dat ze die coalitie liever hadden gezien. Dat zie je natuurlijk vaker bij Europese verkiezingen, nu ook in Duitsland en Frankrijk, dat kiezers zo’n signaal afgeven.”

De radicaal-rechtse Deense volkspartij krijgt één zetel, minder dan verwacht. „Er is veel concurrentie op rechts”, legt De Vreese uit. „Kiezers concentreren zich dus minder op één partij dan in bijvoorbeeld Frankrijk of Duitsland.”

De sociaal-democraten nemen rechts ook wind uit de zeilen door een streng asiel- en migratiebeleid te voeren, al heeft de partij er uiteindelijk geen baat bij om te zeer op de rechtse concurrent te lijken, aldus De Vreese.

Zweden en Finland

Voor het eerst heeft de anti-immigratiepartij Zweedse Democraten, deel van de coalitie, terrein verloren bij verkiezingen. De partij kreeg 13,2 procent van de stemmen, 2,1 procent minder dan in 2019. Dat ligt aan de media, vindt partijleider Jimmie Åkesson: rondom het gebruik van anonieme nep-accounts op sociale media door de partij ontstond een politiek schandaal. Veel aandacht voor de politieke ideeën van de partij was er vervolgens niet meer, klaagt Åkesson.

De grootste partij in Zweden blijft de oppositiepartij van de sociaal-democraten, met bijna een kwart van de stemmen en vijf zetels.

Lees ook Nationalistische Zweden willen alleen maar hoge muren rond Europa

Partijleider Jimmie Åkesson van Zwedendemocraten afgelopen maand op campagne in Norrköping, Zweden.

In Finland is de radicaal-rechtse Finnenpartij de grote verliezer. De verwachting was dat de coalitiepartij op drie zetels zou uitkomen; het is er maar één geworden. Twee ministers van de partij kwamen vorig jaar in opspraak vanwege nazigrappen.

Het verkiezingssucces van de Finse socialisten komt vooral door de razend populaire Li Andersson. De partijleider is „in shock”: haar partij is gegroeid met 10,4 procent ten opzichte van de vorige Europese verkiezingen. Ze kreeg de meeste stemmen van alle kandidaten, 247.604. De conservatieve partij van premier Petteri Orpo is met vier zetels wel nog altijd de grootste.

De Scandinavische landen tonen volgens hoogleraar Claes de Vreese dat de veelbesproken opmars van radicaal-rechts „geen lineair proces of wetmatigheid is, zo zie je bij deze verkiezingen”. De Deense volkspartij, bijvoorbeeld, doet al ruim 25 jaar mee aan verkiezingen en is een „gewone politieke partij” geworden. „Soms doen ze het goed, en soms niet.”