Honderd miljard per jaar is lang niet genoeg voor klimaathulp

Terwijl geïndustrialiseerde landen eindelijk hun financiële klimaatbelofte aan arme landen lijken te zijn nagekomen, wordt er alweer onderhandeld over nieuwe bedragen.

Illustratie Mart Veldhuis

Het was een flinke opluchting voor rijke landen. Twee weken geleden liet de OESO, de organisatie voor economische samenwerking van veelal geïndustrialiseerde landen, weten dat een oude belofte eindelijk is waargemaakt. In 2022, twee jaar later dan de bedoeling was, blijken rijke landen voor het eerst 100 miljard dollar (zo’n 92 miljard euro) te hebben gemobiliseerd voor klimaathulp voor ontwikkelingslanden. De cijfers zijn nog niet definitief, maar het zou gaan om 115,8 miljard dollar, beschikbaar voor projecten variërend van schone kooktoestellen op het Afrikaanse platteland, tot hulp bij dijkverzwaringen in Aziatische delta’s en bescherming van tropische bossen in Latijns-Amerika.

De belofte werd gedaan op de klimaattop in Kopenhagen in 2009. In het niet meer dan drie A4-tjes tellende ‘klimaatakkoord’ zat een zinnetje verscholen over ontwikkelde landen die zich committeren aan „het mobiliseren” van 100 miljard dollar per jaar tegen 2020. Het stond tussen nietszeggende opmerkingen over de bedreiging van klimaatverandering, het belang van aanpassing aan de gevolgen, en de noodzaak om in actie te komen. Onderhandelaars probeerden daarmee hun gezicht te redden aan het slot van de mislukte conferentie. Niemand leek zich te bekommeren om de hoogte van het bedrag – het ging vooral om een symbolische geste en 2020 was nog ver weg. Wie dan leeft, die dan zorgt.

Krenterigheid

Maar zo werkt het niet in klimaatonderhandelingen. Wat eenmaal is vastgelegd, verdwijnt nooit meer van de agenda. Dus naarmate 2020 dichterbij kwam, kregen rijke landen het steeds benauwder. Hun krenterigheid – in de ogen van ontwikkelingslanden – ging de klimaatonderhandelingen dwarszitten. Vandaar de opluchting dat het nu toch is gelukt.

„Heel positief”, noemt klimaatexpert Hilde Stroot van ontwikkelingsorganisatie OxfamNovib de uitkomst in een videogesprek. „Het is voor het eerst, en er zit een duidelijk stijgende lijn in de bedragen. Maar we blijven kritisch over hoe de OESO tot zijn conclusie komt.” Haar collega Bertram Zagema bevestigt dat: „Sommige projecten die worden meegeteld hebben veel minder met klimaat te maken dan wordt gesuggereerd. Als er een nieuwe school wordt gebouwd met wat zonnepanelen op het dak, kan zomaar het complete project als klimaathulp worden bijgeschreven. Ook kun je je afvragen of je ontwikkelingsgeld voor een openbaarvervoersnetwerk als klimaatfinanciering kunt aanmerken alleen omdat er daardoor minder auto’s en scooters rijden.”

Ook volgens Pieter Pauw, klimaatonderzoeker aan de Technische Universiteit Eindhoven, bestaat er „veel scepsis” over de data. Als de analisten van OESO met hun jaarlijkse cijfers komen, hangt de klimaatwereld aan hun lippen, ook al weet iedereen dat hun inschatting op zijn zachtst gezegd altijd te rooskleurig is.

De berekeningen worden volgens Pauw vertroebeld door afspraken over wat er wordt verstaan onder klimaathulp. Zo is een derde van de klimaatfinanciering in feite „herverpakte ontwikkelingshulp”, geld dat arme landen toch al kregen. En bijna 70 procent wordt verstrekt als lening – weliswaar tegen vaak gunstige voorwaarden, maar het geld moet wel terug.

Daar komt bij dat in Kopenhagen destijds wel is vastgelegd dat rijke landen gezamenlijk 100 miljard dollar zullen besteden, zegt Pauw, maar niet hoeveel ieder land betaalt – vaak wordt gekeken naar de omvang van de economie of naar de CO2-uitstoot in een land. „Doet Nederland veel of weinig?”, vraagt Pauw zich hardop af. „Dat hangt ervan af hoe je kijkt. Op basis van de grootte van de economie doet Nederland het relatief goed. Maar als je de uitstoot per hoofd van de bevolking bekijkt is Nederland slechts een middenmoter.”

Dat er meer dan tien jaar is gebakkeleid over 100 miljard dollar per jaar, doet het ergste vrezen voor de huidige onderhandelingen. De opluchting over het succes heeft intussen plaatsgemaakt voor taaie onderhandelingen over klimaathulp vanaf 2025. Daarover wordt tot het einde van de week door klimaatonderhandelaars gesproken in het Duitse Bonn, ter voorbereiding op de klimaattop van november in Azerbeidzjan. Ze moeten het eens zien te worden over „een nieuw collectief gekwantificeerd doel”, staat in het Klimaatakkoord van Parijs (2015), „rekening houdend met de behoeften en prioriteiten van ontwikkelingslanden”.

„De 100 miljard was een vrij willekeurig bedrag, verder nergens op gebaseerd”, legt Hilde Stroot van OxfamNovib uit. „Voor de afspraken vanaf 2025 moet eerst worden bepaald hoeveel geld er daadwerkelijk nodig is.” Er circuleren bedragen van meer dan 1.000 miljard dollar per jaar.

Haar collega Bertram Zagema vindt die inschatting realistisch. Volgens het Adaptation Gap Report 2023 van UNEP, de VN-organisatie voor milieu, zal alleen al voor aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering in ontwikkelingslanden jaarlijks zo’n 350 miljard dollar nodig zijn. Daarnaast neemt de zogeheten loss and damage, schade door klimaatverandering, toe. Dus ook daarvoor zal meer geld op tafel moeten komen. En het Internationaal Energieagentschap schat dat de energietransitie ook nog eens een paar duizend miljard gaat kosten.

Of het lukt om daarover nog dit jaar een akkoord te bereiken, moet blijken. Europa heeft al jaren een voortrekkersrol in de klimaatonderhandelingen. Veel Europeanen steunen een stevig klimaatbeleid, maar de weerstand tegen de prijs van dat beleid groeit, zoals de uitslag van de Europese verkiezingen liet zien. In Nederland lijkt het nieuwe kabinet de ontwikkelingshulp – waar het meeste Nederlandse klimaatgeld voor arme landen onder valt – zo’n beetje te willen afschaffen.

Chinese investeringen

„De voortekenen zijn niet gunstig”, erkent Stroot. Ontwikkelingslanden zullen daar niet blij mee zijn. „ Ik denk dat de consequentie is dat Europa zich politiek kwetsbaarder maakt. Je ziet nu al dat de Chinese invloed groeit. China doet wel grote investeringen in Afrika.”

Maar uiteindelijk gaat het niet over geopolitiek. Het klimaatprobleem is veroorzaakt door rijke landen, zegt Stroot. „Die miljarden zijn een compensatie voor de klimaatschade die wij in ontwikkelingslanden hebben veroorzaakt. Als ik bij jou een bal door de ruit schop, ga ik naar je toe om het op te lossen. Als we dat niet doen, zullen ontwikkelingslanden hun klimaatbeleid niet willen aanscherpen en kunnen de armste landen niet meekomen. Daardoor loopt het mondiale klimaatbeleid nog meer vertraging op. We stevenen nu al af op 2 à 3 graden opwarming. In Nederland kunnen we ons daar met al onze technische capaciteiten nog wel een tijdje tegen wapenen. Maar uiteindelijk zal het zich ook tegen ons keren. Dus die klimaathulp is ook een investering in onze eigen toekomst.”

Lees verder…….