Een ontmaskering in Jachthuis Sint Hubertus

De wonderlijkste en hardnekkigste mythe in de Nederlandse architectuurgeschiedenis is die van architect H.P. Berlage (1856-1934). Tientallen jaren hebben architectuurhistorici ons willen doen geloven dat Berlage de vader is van de modernistische architectuur. Met zijn ‘rationalistische’ architectuur brak Berlage met de ‘valse’ 19de-eeuwse neostijlen en eclecticisme, zo gaat hun verhaal, en baande zo de weg voor het Nieuwe Bouwen van architecten als Gerrit Rietveld.

Het stelligst over Berlages vaderschap van het modernisme was Siegfried Giedion, de Zwitserse architectuurhistoricus die zich in het interbellum opwierp als de theoreticus en propagandist van het Nieuwe Bouwen. In Space, Time, Architecture, zijn epos over het ontstaan van de modernistische architectuur uit 1942, schetst Giedion Berlage als de belangrijkste profeet van het Nieuwe Bouwen. Met zijn Beursgebouw in Amsterdam uit 1903, met zijn bakstenen muren als ‘zuivere vlakken’, bouwde Berlage het ‘zuiverste gebouw van zijn tijd’ vond Giedion. „Met onverschrokken volharding in zijn architectuur streefde hij naar eerlijkheid en zuiverheid”, schrijft hij. „Berlages bewuste ascetendom – door sommigen als barbaars ervaren – en zijn absolute liefde voor de waarheid maakten de Amsterdamse Beurs tot een gebouw dat velen tot voorbeeld diende.”

Vreemd genoeg wist Giedion toen hij dit schreef allang dat Berlage zelf het vaderschap van het Nieuwe Bouwen ontkende. Hij was erbij toen Berlage zich in 1928 op het eerste van de Congrès Internationaux d’ Architecture Moderne (CIAM) in Zwitserland distantieerde van het modernisme. Hoewel hij de eregast was op het congres van 27 modernisten, met Le Corbusier als opperhoofd, weigerde hij met hen op de groepsfoto te gaan. Toen Rietveld hem vroeg waarom hij geen lid van CIAM wilde worden, antwoordde hij: „Jullie maken alles kapot wat ik heb opgebouwd.”

Ongezonde nepstijl

Toch heeft Berlage de mythe ook aan zichzelf te wijten, bleek in 2008 uit in Sterrenstof. Honderd jaar mythologie in de Nederlandse architectuur van architectuurhistoricus Auke van der Woud. Met een slimme mediastrategie lukte het Berlage zichzelf neer te zetten als de profeet van een nieuwe architectuur, legt Van der Woud uit. Luid verkondigde hij dat de 19de eeuw „de eeuw der lelijkheid” was en dat de Art Nouveau een „ongezonde” nepstijl was. Alleen zijn rationalistische architectuur was gezond en zuiver en wees de weg naar de toekomst.

Maar, zo toont Van der Woud overtuigend aan in Sterrenstof , aan de Beurs van Berlage is weinig zuiver en rationeel en niets nieuw. Berlage was een valse profeet die achter zijn tekentafel iets heel anders deed dan hij verkondigde. In de praktijk was hij een modale eclecticus die met zijn rug naar de toekomst stond. Zo was een belangrijke bronnen van inspiratie voor het reusachtige beursgebouw het middeleeuwse Palazzo Pubblico in Siena en gebruikte hij voor de gevels maatsystemen uit het oude Egypte. Met de ‘naakte’ bakstenen muren greep hij terug op de door hem bewonderde romaanse bouwkunst. Enzovoorts, enzovoorts.

Van der Woud had niet de illusie dat zijn demasqué van Berlage veel gevolgen zou hebben. Het zou nog lang duren voordat de Berlage-mythe niet langer werd herhaald, voorspelde hij in 2008. Tot nu toe heeft hij hierin gelijk gekregen. Zo publiceerde Max van Rooy, oud-NRC-redacteur en kleinzoon van Berlage, vlak voor zijn dood in 2022 Heb ik dat gemaakt? De vormende jaren van H.P. Berlage, bouwmeester. Hierin is Berlage nog altijd de visionaire architect die de Nederlandse architectuur genas van 19de-eeuwse ziektes en op raadselachtige wijze met zijn zware, bakstenen gebouwen de weg wees naar de modernistische architectuur van ‘licht, lucht en ruimte’.

Zondigen

Wegen zijn ziekte kon Van Rooy zijn boek over Berlage niet voltooien. Het eindigt met Berlages indiensttreding als huisarchitect bij de firma Müller & Co in 1913. Voor dit handels- en stuwadoorsbedrijf – of eigenlijk voor het steenrijke echtpaar Anton Müller en Helène Kröller-Müller, de kunstverzamelaarster en oprichtster van het Kröller-Müller Museum – bouwde Berlage het Jachthuis Sint Hubertus op de Hoge Veluwe. Hij maakte er een waar Gesamtkunstwerk van: alles, van de immense vijver waaraan het huis schitterend ligt tot het meubilair, lampen en het servies, ontwierp hij.

Nog beter dan de Beurs in Amsterdam maakt het symmetrische Jachthuis Sint Hubertus duidelijk dat Berlages zware architectuur niet de voorloper is van het Nieuwe Bouwen en dat Berlage als ontwerper zondigde tegen zijn eigen rationalisme. Dat begint al met de bizar hoge toren met zadeldak: voor een comfortabel jachthuis is een toren tenslotte overbodig. Aan zijn rationalistische gebod dat ornamenten moeten voortkomen uit de constructie heeft hij zich evenmin gehouden. Niet alleen is de toren over de volle lengte versierd met een gigantisch kruis van bakstenen, maar ook hebben twee muren aan de binnenplaats een nis met reliëfs van Sint Hubertus en herten. De hoofdingang wordt omlijst door vier rijen sierstenen en een ijzeren afdak met krullen dat neigt naar ‘ziekelijke’ Art Nouveau.

In de hal achter de ingang is geen spoor van ‘licht, lucht en ruimte’ te bekennen. Integendeel, met zijn wanden van geglazuurde bakstenen doet de grootste en hoogste ruimte van het huis denken aan een duister romaanse kerk waar het schaarse licht naar binnen valt door glas-in-lood-ramen boven de ingang. Veel muren, zowel binnen als buiten, vormen geen ‘zuivere vlakken’. En de plafonds in de hal en de verrassend lage woonvertrekken bestaan uit klassieke cassettes met keramische ornamenten. Ze steunen op balken die van staal lijken, maar in werkelijkheid van een ander materiaal zijn dat is zwartgeverfd en voorzien van nepklinknagels. Zo is van „de absolute liefde voor de waarheid” die Giedion Berlage toedichtte, weinig te merken in Jachthuis Sint Hubertus.