Column | Niets betekenen

Ellen Deckwitz

Maandagavond sprong ik met E. in het kanaal om af te koelen. Vredig dobberden we tussen de waterlelies en de meerkoeten. „Ik werk er de laatste tijd aan om mezelf te zijn wanneer ik onder de mensen ben”, zei E. „Dat lijkt me lastig voor iemand met jouw jeugd”, zei ik, want E.’s moeder was hyperalert. Als E. iets te luid uit-ademde, vroeg haar moeder meteen of er iets scheelde. Als E. voor zich uit staarde, wilde haar moeder direct weten of ze verliefd was. Alles wat E. deed, van zwijgen tot gapen, van niezen tot eten, vatte haar moeder op als een teken, en zo werd E. er hyperbewust van hoe haar houding, ademhaling en gedrag door de buitenwereld konden worden opgevat.

„Dodelijk vermoeiend”, zei ze. „Onlangs besefte ik dat ik me zelfs bij mijn beste vrienden nog steeds afvraag of mijn aanwezigheid nog onbedoeld iets communiceert. Gisteravond lag ik met een club in het IJ. Ik merkte dat ik even alleen wilde zwemmen en meteen blokkeerde ik. Zomaar weggaan durfde ik niet, omdat ik vreesde dat ze dan zouden denken dat ik boos op hen was, of dat ik aandacht nodig had, of dat ik ergens mee zat. En zo bleef ik maar in de buurt en werd ik steeds bozer op mezelf, tot ik niet meer kon.”

„En toen?”

„En toen besloot ik dat mijn lichaam slechts een verzameling spieren en botten is die soms enorme behoefte heeft om wat slagen te maken in haar eentje. Meteen trok ik eropuit. Geen haan kraaide ernaar.”

‘Je lijf veranderde van een enorme berg non-verbale communicatie in gewoon weer een lijf!” „Precies! Het was zo bevrijdend. Dat hoe ik bewoog, waar ik heen ging, wat voor uitdrukking ik op mijn gezicht had, even niets meer hoefde te zeggen. En ook dat ik me er niets van hoefde aan te trekken als anderen mijn lichaam, of wat ik ermee deed, zouden opvatten als een boodschap. Ik zwom en liet mijn moeder achter.”

„Kan je dat nog eens voordoen”, grinnikte ik. Ze knipoogde en ging ervandoor. Haar haren zwierden als blonde linten door het bruine water.

„Kijk! Hier is alleen maar een lichaam!” riep ze voor zich uit.

Ik juichte. Daar plonsten armen die geen gebaren meer waren, vingers die niets aanwezen, benen die geen deel meer uitmaakten van een verhaal. Daar ging iemand die eindelijk niets meer hoefde te betekenen. Haar voetzolen kwamen af en toe nog boven de golfjes uit, waren gerimpeld en zo wit als nieuwe pagina’s.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

Lees verder…….